1. Het waren geen sloppenwijken
Voor sommigen waren en zijn prefabwoningen synoniem met blikken dozen, kartonnen huizen of sloppenwijken. Maar dat klopt niet!
Een Uni-Seco-prefabwoning op het Excalibur Estate, 2003. © Elisabeth Blanchet.
Prefabwoningen werden al in 1942 gepland, drie jaar voor het einde van de Tweede Wereldoorlog. In maart 1944, toen D-Day nog niet eens had plaatsgevonden, verklaarde Winston Churchill in een toespraak:
‘De eerste aanpak moet uiteraard gericht zijn op huizen die beschadigd zijn, maar die weer tot behoorlijke woningen kunnen worden hersteld… De tweede aanpak van het huisvestingsprobleem zal bestaan uit wat men geprefabriceerde of noodwoningen noemt.’
In 1942 richtte de regering van Churchill de Burt Committee op, genoemd naar Sir George Burt. De commissie moest een snelle, efficiënte en moderne oplossing bedenken voor de dreigende woningcrisis.

Blauwdruk van de ‘ideale prefabwoning’ van de Burt Committee.
De Burt Committee liet zich inspireren door de VS, vooral door de Tennessee Valley Authority. Die beschikte over erg geavanceerde en moderne tijdelijke prefabwoningen voor de arbeiders en hun gezinnen die meewerkten aan de bouw van enorme dammen.
Ze ontwierpen een ideale plattegrond voor een bungalow met één verdieping, twee slaapkamers, een binnentoilet, een ingerichte keuken, een badkamer en een woonkamer. De prefabwoningen zouden vrijstaande huizen zijn, omringd door een tuin waar bewoners groenten en fruit konden kweken, en zouden ook een kolenhok hebben. Zo ontstond het programma voor tijdelijke huisvesting.
2. Moderner dan modern
Het publiek was onder de indruk. Veel inwoners van grote steden zoals Londen, die zwaar gebombardeerd waren, woonden in gedeelde appartementen of huizen zonder warm water en met een toilet buiten.
Een Arcon MKV-prefabwoning in het Avoncroft Museum, Bromsgrove, 2014. © Elisabeth Blanchet.
Plots ontdekten ze kleine huizen met alle moderne comfort, veel licht en de mogelijkheid om rondom een tuin te hebben. Jonge gezinnen uit de arbeidersklasse konden in een vrijstaand huis wonen, met een ingerichte keuken en een koelkast!
De keuken en de verwarming waren staaltjes van briljante techniek: keuken en badkamer vormden één geheel, met een muur ertussen waarin de leidingen voor beide ruimtes liepen. Sommige prefabwoningen hadden een plat dak, een architecturale stijl die mensen niet gewend waren. Andere hadden hoekramen die doorliepen langs de gevel, zodat de woonkamer zoveel mogelijk licht kreeg.
Jim Blackender voor zijn prefabwoning op het Excalibur Estate, 2009. © Elisabeth Blanchet.
Niet alleen het interieur was goed doordacht, ook de manier waarop de huizen werden opgetrokken was slim.
Sommige prefabwoningen vulden enkel de open plekken tussen traditionele huizen op die door bombardementen waren ontstaan, maar de meeste van de 156.000 prefabwoningen werden gebouwd op woonerven. Sommige telden meer dan 1.200 woningen, zoals Belle Vale in Liverpool. De woonerven hadden voetpaden en groene zones, en kinderen konden buiten spelen. De meeste mensen kenden elkaar, waardoor iedereen zich veilig en geborgen voelde.
3. Ze zorgden voor een sterk gemeenschapsgevoel
Het programma voor tijdelijke huisvesting was een sociaal project. Gezinnen met jonge kinderen en militairen met hun gezinnen kregen voorrang, wat sterke gemeenschappen deed ontstaan.
Overzicht van het Excalibur Estate, 2005. © Elisabeth Blanchet.
De meeste bewoners behoorden tot dezelfde generatie, kwamen uit de arbeidersklasse en voedden jonge kinderen op. Ze begonnen allemaal opnieuw in precies hetzelfde type huis. Geen wonder dat de prefabwoningen veel langer meegingen dan voorzien. Sommige mensen wonen er nog altijd, zo’n 70 jaar nadat ze gebouwd werden, hoewel ze maar tien jaar zouden meegaan.
4. Prefabwoningen stonden overal ter wereld
Het Verenigd Koninkrijk was niet het enige land dat prefabwoningen gebruikte als tijdelijke oplossing om mensen na de oorlog onderdak te bieden.

Straatfeest voor de kroning van koningin Elizabeth II op het Treberth Estate, Newport, 1953. © Alan Page.
Ook Frankrijk deed dat: er werden meer dan 150.000 tijdelijke woningen gebouwd, vooral in Bretagne, Normandië en Hauts-de-France, de regio’s die tijdens en na D-Day het zwaarst getroffen waren door geallieerde bombardementen. Hoewel er in Frankrijk ook Franse houten prefabwoningen waren, werden de meeste noodwoningen ingevoerd uit Zweden, de VS, Finland, Zwitserland, Oostenrijk en Canada.
Thérèse Ofrette voor haar prefabwoning in Larmor-Plage, Frankrijk, 2017 – © Elisabeth Blanchet
Ook andere landen die onder de oorlog te lijden hadden, zoals Duitsland, de USSR, België en Japan, maakten gebruik van prefabwoningen.
Sommige Britse prefabwoningen kregen een tweede leven en werden naar andere landen gestuurd, zoals Egypte en de koloniën. Kijk dus goed rond, waar ter wereld je ook bent.
5. Sommige prefabwoningen werden permanente huizen – en zelfs musea
Mensen waren zo gehecht aan hun prefabwoning dat ze ervoor streden om die te behouden, terwijl lokale overheden ze wilden vervangen door permanente, rendabelere woningen met een hogere bebouwingsdichtheid.
Campagne om prefabwoningen in Redditch te redden, 2002. © Elisabeth Blanchet.
Sommige campagnes slaagden, maar de meeste mislukten. Een andere manier om de woningen te redden was ze kopen via de Right to Buy-regeling. Vanaf de jaren 90 begonnen architecten en stedenbouwkundigen de historische waarde van prefabwoningen te erkennen. Historic England begon enkele best bewaarde exemplaren op de monumentenlijst te zetten. Vandaag staan er 17 op de lijst in Birmingham en zes in Catford, Zuid-Londen.
Ook sommige musea zagen prefabwoningen als waardevolle en interessante stukken voor hun collectie. In het VK zijn er zes musea waar je een prefabwoning kunt bekijken: een Tarran-type in Eden Camp in Yorkshire, een Arcon MK 5 in het Avoncroft Museum in Bromsgrove, nog een Arcon MK 5 in het Rural Life Centre in Farnham, een Universal in het Chiltern Air Museum, een AIROH in het Wales Museum in Cardiff en een Uni-Seco in het Imperial War Museum in Duxford.



